Hilde De Steur

Astrologie is meer dan een hobby of een interesse, méér dan een passie. Astrologie is een ziekte en ongeneeslijk. Er is slechts één remedie om ze in bedwang te houden: de fascinatie toelaten en steeds dieper graven. De bodem bereik je nooit. Gelukkig.

Hoe en waar ontstond die drang om meer te weten? Ze zat vanbinnen en sluimerde jaren onder de oppervlakte. Geboren vlak na de tweede wereldoorlog, in een klein dorp aan de rand van de Vlaamse Ardennen ontpopte ik mij tot een heel gewoon kind. Op al mijn vragen kreeg ik enkel standaardantwoorden. De boerenbuiten, de natuur, de planten en de dieren en de wisseling van de seizoenen vormden mijn leefwereld. Mogelijkheden om mij stevig in de Aarde en met het stoffelijke te verankeren. 
Ook in de schooltijd en later in het verpleegkundig hoger onderwijs bleef de gevestigde opinie de voornaamste grondregel van alle weten.
Dan ga je op zoek. De meeste wegen bleken doodlopende straten. Tot de zoeker de astrologie ontmoette. Uranus stond opposiet Uranus en ik voelde me thuiskomen. Een oeroude vriend werd ook in dit leven mijn richtingwijzer en toeverlaat. Hij liet me nooit meer los, hij liet me nooit in de steek.

Naast de astrologie bekwaamde ik mij in een aantal alternatieve geneeswijzen, zoals, wat mijn tweede passie werd, de bloesemtherapie. De reïncarnatiegedachte sijpelde langzaam binnen. De intuïtieve ontwikkeling kon niet achterwege blijven en opende kanalen die ik vooraf niet vermoedde.

Heel wat bekwame leraren kruisten mij pad. Vanaf de eerste lessen ontdekte ik de psychologische astrologie. De karmische astrologie samen met de reïncarnatiegedachte bood antwoorden op vragen waar de psychologische astrologie geen blijf mee wist.

Toen was daar Cheiron. Hij liet me niet meer los, noch in mijn eigen geboortehoroscoop, noch in die van bekenden en vrienden, noch tijdens de consulten. Cheiron verborg meer dan de astrologische literatuur liet vermoeden. Steeds weer opende hij een oeroude wonde die ook in dit leven bleef etteren. Ik ging opnieuw dieper graven maar vond aanvankelijk de bron niet van al die pijn.

Na heel wat slapeloze nachten werd alles mij duidelijk: Cheiron duidt de oeroude pijn aan te moeten incarneren op de Aarde, of ook, de pijn bij de afsplitsingervaring bij de bron.

Ondertussen ligt mijn eerste boek sinds enkele jaren in de boekhandel.
Maar wat vertelden de overigen Centauren? Vooral Pholus en Nessus bleven me intrigeren. Opnieuw ging ik op zoek en luisterde ik naar de verhalen van cliënten. Ik schreef mijn bevindingen neer in een tweede boek, ditmaal over Pholus.  De tweede Centaur verwijst naar ontmoediging en passiviteit die alleen kan omgezet worden in kracht en stabiliteit door het aardse leven te aanvaarden.
Mijn vurige wens is dat andere zoekers naar zingeving erin ontdekken waar ze naar zoeken: de zin van hun leven. Mogen Cheiron en Pholus hierbij richtingaanwijzers zijn.